Psalm 101 t/m 120

 

 

Psalm 101, 6
Wie de volmaakte weg bewandelt, mag mij dienen.

 

 

 


Psalm 103, 15-16
De mens – zijn dagen zijn als het gras
hij is als een bloem die bloeit op het veld
en verdwijnt zodra de wind hem verzengt;
de plek waar hij stond, kent hem niet meer.

 

Psalm 105, 30
Hun land krioelde van kikkers,
tot in de kamers van hun koningen.


Psalm 107, 9
Wie dorst had, gaf hij te drinken, wie honger had, volop te eten.

 

 

 


Psalm 112, 4
Hij straalt voor de oprechten als een licht in het duister,
genadig, liefdevol en rechtvaardig.

 

 

 


Psalm 115, 4-7
Hun goden zijn van zilver en goud, gemaakt door mensenhanden.
Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken,
ze hebben ogen maar kunnen niet zien,
ze hebben oren maar kunnen niet horen,
ze hebben een neus maar kunnen niet ruiken.
Hun handen kunnen niet tasten, hun voeten kunnen niet lopen, 
geen geluid komt uit hun keel.

 

 

 


Psalm 119, 18
Neem de sluier van mijn ogen – dan zal ik zien
hoe wonderlijk mooi uw wet is.

 

Psalm 1 t/m 10
Psalm 11 t/m 20
Psalm 21 t/m 50 
Psalm 51 t/m 70
Psalm 71 t/m 100
Psalm 101 t/m 120
Psalm 121 t/m 150